Regio Zuid-Holland-Noord
Regionale arbeidsmarktanalyse primair onderwijs 2026De arbeidsmarkt in het primair onderwijs verschilt per regio. In sommige regio’s ontstaan de komende jaren grotere tekorten aan schoolleiders en leraren dan in andere. Voor scholen en schoolorganisaties is het daarom belangrijk om een goed beeld van de eigen regio te hebben.
Het Arbeidsmarktplatform PO heeft hiervoor negentien regionale arbeidsmarktanalyses opgesteld. Deze brengen de cijfermatige ontwikkelingen per regio in kaart en lichten ze toe. Op deze pagina vind je de resultaten voor de regio Zuid-Holland-Noord (arbeidsmarktregio’s Den Haag, Haaglanden, Holland Rijnland, Midden-Holland en Zuid-Holland Centraal). Wil je een andere regio bekijken? Via het drop-downmenu hierboven kun je eenvoudig een andere analyse openen. Onderaan deze pagina zie je welke onderwijsregio’s actief zijn in deze regio met een link naar de webpagina van de onderwijsregio. Hier kan je onder andere meer informatie vinden over de indeling van de onderwijsregio’s, de verzorgingsgebieden en hun arbeidsmarktactiviteiten.
Samenvatting
- De huidige spanningsindicator van de arbeidsmarkt van pedagogische beroepen is in Zuid-Holland-Noord zeer krap.
- In Zuid-Holland-Noord is het aantal leerlingen tussen 2021 en 2025 iets minder snel afgenomen dan de landelijke trend (1,2% ten opzichte van 1,5%). De prognose is dat deze afname tussen 2026 en 2030 sterker doorzet (3,4%).
- Net als de daling in werkgelegenheid daalt ook de relatieve onvervulde werkgelegenheid voor po-leraren en schoolleiders in Zuid-Holland-Noord, van 6,2% in 2026 tot 4,7% in 2030.
- Zowel de pabo-instroom (5,8%) als het aantal nieuw-paboafgestudeerden (15%) is de afgelopen jaren toegenomen in Zuid-Holland-Noord.
- Het uitvalpercentage schommelde de afgelopen jaren; in 2024/2025 lag het uitvalpercentage na één jaar op 13%. Dit percentage geeft aan hoeveel pabo-studenten de opleiding voortijdig afbreken.
Zeer krappe arbeidsmarkt voor pedagogische beroepen in de regio
De spanningsindicator van het UWV geeft de verhouding weer tussen het aantal openstaande vacatures en het aantal werkzoekenden binnen een bepaald beroep of bepaalde sector. Het is een maat voor de krapte op de arbeidsmarkt: hoe hoger de indicator, hoe moeilijker het voor werkgevers is om geschikt personeel te vinden. Een lage waarde duidt op een ruime arbeidsmarkt, waarin veel werkzoekenden beschikbaar zijn per vacature. De spanningsindicator helpt bij het inschatten van arbeidsmarktdynamiek en het formuleren van beleid voor onderwijs, werk en economie.
Ten opzichte van de gehele arbeidsmarkt, laat de spanningsindicator van de pedagogische beroepen landelijk sinds 2021 een krappere arbeidsmarkt zien. De spanningsindicator van de gehele arbeidsmarkt is in 2025 uitgekomen op 3,2 (krap), terwijl de spanningsindicator van de pedagogische beroepen in 2025 uitkwam op 3,6 (krap). In de figuur hieronder zie je enkel de ontwikkeling van de spanningsindicator binnen de pedagogische beroepen, waar het onderwijs onder valt.
Binnen de regio Zuid-Holland-Noord is de spanningsindicator van de pedagogische beroepen hoger dan landelijk, we zien hier eenzelfde soort ontwikkeling over de afgelopen vijf jaar. De spanningsindicator van de pedagogische beroepen is in 2025 het laagst in arbeidsmarktregio Midden-Holland (4,2) en het hoogst in Zuid-Holland Centraal (5,6). Alle vier de arbeidsmarktregio’s komen in 2025 uit op een zeer krappe spanningsindicatie.
Aantal leerlingen zal sterker afnemen
De ontwikkeling van het aantal leerlingen is van belang voor de ontwikkeling van de werkgelegenheid in de sector. De afgelopen jaren kregen veel regio’s in Nederland te maken met dalende leerlingaantallen. Tussen 2021 en 2025 nam het aantal leerlingen in de sector met 1,5% af, van circa 1.516.000 leerlingen tot 1.493.000 leerlingen. De komende jaren zal het aantal leerlingen in Nederland naar verwachting verder afnemen. Tussen 2026 en 2030 daalt de basisgeneratie voor het primair onderwijs naar verwachting met 2,6%.
In de regio Zuid-Holland-Noord zien we in de periode van 2021 tot 2025 een iets kleinere afname van het aantal leerlingen ten opzichte van landelijk, van in totaal 1,2%. In de periode daarna, van 2026 tot 2030, wordt er een grotere afname van het aantal leerlingen verwacht (3,4%).
Daling tekorten leraren en schoolleiders verwacht
Het landelijke aantal leerlingen in het primair onderwijs is de afgelopen jaren gedaald, en naar verwachting zet deze daling de komende jaren door. Als gevolg daarvan krimpt ook de werkgelegenheid: minder leerlingen betekent minder behoefte aan leraren. De prognose voor de landelijke werkgelegenheid van leraren en schoolleiders toont dan ook een afname van 1,8%, tot ongeveer 98.300 fte in 2030.
In Zuid-Holland-Noord dalen de leerlingaantallen naar verwachting iets minder sterk dan landelijk. Deze lichte daling in leerlingaantallen werkt in de regio verschillend door in de werkgelegenheid van leraren en schoolleiders. Tussen 2026 en 2030 daalt de werkgelegenheid van leraren en schoolleiders in de arbeidsmarktregio Zuid-Holland Centraal en Den Haag sterker dan de landelijke trend, terwijl deze in arbeidsmarktregio’s Holland Rijnland en Haaglanden minder sterk dan landelijk daalt. In de arbeidsmarktregio Midden-Holland zien we zelfs een stijging in de werkgelegenheid van leraren en schoolleiders, namelijk met 0,9%.
De relatieve onvervulde werkgelegenheid geeft aan welk percentage van de totale vraag naar leraren en schoolleiders niet vervuld kan worden, ook wel de tekorten aan leraren en schoolleiders. Dit hangt samen met het beschikbare aanbod, dat bestaat uit huidig personeel en afgestudeerden.
Net als de daling in werkgelegenheid in Zuid-Holland-Noord, zal de relatieve onvervulde werkgelegenheid de komende jaren ook dalen, van 6,2% in 2026 tot 4,7% in 2030. In arbeidsmarktregio Zuid-Holland Centraal is de relatieve onvervulde werkgelegenheid in 2030 het laagste (2,6%) en in Den Haag het hoogste (6,7%). Landelijk zal de relatieve onvervulde werkgelegenheid tussen 2026 en 2030 dalen van 5,1% naar 4,6%.
Instroom pabo afgelopen jaren toegenomen
De pabo blijft een belangrijke bron voor de instroom van nieuwe leraren op de onderwijsarbeidsmarkt. Landelijk zien we dat de instroom in de pabo in de periode 2021 tot en met 2025 met 18% is toegenomen, van 5.312 naar 6.277 pabostudenten. Het landelijke aandeel pabostudenten dat een duale of deeltijdopleiding koos, is gedurende de periode 2021 tot 2025 licht gedaald van 22% naar 19%.
In de regio Zuid-Holland-Noord is gedurende de periode 2021 tot 2025 het aantal studenten dat kiest voor de pabo met 5,8% toegenomen, van 744 naar 787 studenten in 2025. Dit is een kleinere toename dan de landelijke trend. Ongeveer 23% van de pabostudenten in Zuid-Holland-Noord koos in 2025 een duale- of deeltijdopleiding, ten opzichte van 33,5% in 2021. Net als het landelijke aandeel, daalde ook het regionale aandeel van studenten dat een duale- of deeltijdopleiding koos.
Uitval pabo na drie jaar gestegen
De instroom op de pabo-opleidingen zegt niet veel over het aantal nieuw beschikbare leraren op de arbeidsmarkt als de uitval niet meegenomen wordt in de analyse. Het aandeel studenten dat één jaar na de start van de pabo is uitgevallen, is eerst gestegen van 13% voor studiejaar 2018/2019 naar 19% voor studiejaar 2022/2023. Hierna is het uitvalpercentage weer gedaald tot 15% voor studiejaar 2024/2025. Het percentage studenten dat drie jaar na de start van de pabo is uitgevallen is tussen studiejaar 2018/2019 en studiejaar 2020/2021 toegenomen van 15% naar 22%, waarna het weer is afgenomen tot 20,5% voor studiejaar 2022/2023. In 2022 is er een herziening geweest van het toetsbeleid om de hoge uitvalcijfers tegen te gaan. Het is nog te vroeg om te zien of dat effect heeft gehad op de uitval van pabostudenten na drie jaar.
In regio Zuid-Holland-Noord schommelde de uitval van pabostudenten na één jaar tussen 11% voor studiejaar 2018/2019 en 18% voor studiejaar 2022/2023. In studiejaar 2024/2025 kwam het uitvalpercentage uit op 13%. De uitval van pabostudenten na drie jaar is eerst toegenomen en daarna afgenomen in Zuid-Holland-Noord. Van de studenten die in het studiejaar 2020/2021 aan de opleiding begonnen, is 22% na drie jaar uitgevallen, terwijl dit voor studiejaar 2018/2019 nog 14% was. Voor het studiejaar 2022/2023 is dit percentage weer iets afgenomen tot 20%.
Toename nieuw-paboafgestudeerden
Het aantal nieuw-paboafgestudeerden is de afgelopen jaren in Nederland met 13% gegroeid. In 2020 waren er 3.816 nieuw-paboafgestudeerden en dit aantal is toegenomen tot 4.329 in 2024.
Ook in de regio Zuid-Holland-Noord nam het aantal nieuw-paboafgestudeerden tussen 2020 en 2024 toe. In 2020 zijn er hier in totaal 527 studenten aan de pabo afgestudeerd, ten opzichte van 605 in 2024. Dit komt neer op een stijging van ongeveer 15%. Deze toename is gunstig voor de regionale arbeidsmarkt in het onderwijs, aangezien die door de spanningsindicator als ‘zeer krap’ wordt bestempeld.
Een aandachtspunt bij dit onderwerp is dat de paboafgestudeerden niet allemaal in het primair onderwijs gaan werken en ook niet allemaal in de regio van de opleiding gaan werken. De mate waarin paboafgestudeerden daadwerkelijk instromen in het beroep en in de regio, heeft impact op het lerarentekort in de regio. Van alle nieuw-paboafgestudeerden werkt 84% na 5 jaar als leraar binnen het onderwijs. Landelijk gezien werkt 82% van alle paboafgestudeerden die werkzaam zijn als leraar binnen de provincie van de opleiding.
Aandeel 35-minners hoger dan aandeel 55-plussers
De vraag naar onderwijspersoneel wordt niet alleen bepaald door de ontwikkeling van het aantal leerlingen. Ook de uitstroom van personeel, onder andere naar pensioen, speelt een belangrijke rol. Personeel kan ook meer of minder gaan werken, in een andere regio gaan werken of een andere functie binnen de sector vervullen. De leeftijdsopbouw van het personeel geeft een indicatie van de verwachte uitstroom naar pensioen. Gemiddeld is ongeveer 20% van het personeel (in fte) in het primair onderwijs 55-plus.
In de regio Zuid-Holland-Noord is een ongeveer even groot deel van het personeel 55-plus als landelijk: ongeveer 19,5%. Vooral onder het directiepersoneel is een relatief groot aandeel 55-plussers werkzaam, namelijk 27,5% in 2025 (landelijk: 29%). In totaal is 32% van al het onderwijspersoneel in Zuid-Holland-Noord jonger dan 35 jaar. Van het onderwijsgevend personeel is 32% jonger dan 35 jaar en van het onderwijsondersteunend personeel is dat 35%.
Deze cijfers laten zien dat de regio zowel te maken heeft met een aanstaande pensioneringsgolf, vooral onder directiepersoneel, als met een hoog aandeel 35-minners. De toenemende behoefte aan doorstroom en doorgroeimogelijkheden binnen scholen benadrukt het belang van een strategisch personeelsbeleid dat gericht is op het behoud en de ontwikkeling van jong talent. Om duurzaam strategisch HRM-beleid te kunnen formuleren, is het essentieel om kwantitatieve analyses van de personeelsbehoefte te koppelen aan de wensen en behoeften van verschillende groepen medewerkers. Alleen dan kan de schoolorganisatie nu én in de toekomst beschikken over voldoende en passend onderwijspersoneel.
Directiepersoneel werkt gemiddeld meeste fte
De deeltijdfactor is een getal tussen 0 en 1 dat aangeeft welk deel van een fulltimebaan een werknemer uitoefent. De gemiddelde deeltijdfactor (het gemiddelde aantal fte) per functie helpt om beter te begrijpen hoe het personeelsbestand is opgebouwd, hoe ruim functies worden ingevuld, en waar mogelijke knelpunten of kansen liggen in personeelsbeleid. Dit maakt het een nuttige indicator voor zowel schoolorganisaties als beleidsmakers. Landelijk werkt directiepersoneel gemiddeld 0,89 fte, onderwijsgevend personeel 0,72 fte en onderwijsondersteunend personeel 0,67 fte.
Het landelijk gemiddelde is een goede indicator, maar kan niet een-op-een vergeleken worden met het regionaal gemiddelde. Het kan namelijk voorkomen dat één persoon in meerdere regio’s werkt en hierdoor dubbel geteld wordt.
In de regio Zuid-Holland-Noord maakt directiepersoneel de meeste uren met een gemiddelde deeltijdfactor van 0,88 fte. Het onderwijsgevend personeel werkt iets minder met een gemiddelde deeltijdfactor van 0,71 fte en het onderwijsondersteunend personeel kent de laagste gemiddelde deeltijdfactor met 0,65 fte.
Overzicht gemeenten binnen de regio Zuid-Holland-Noord
Holland Rijnland
Alphen aan den Rijn, Hillegom, Kaag en Braassem, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Noordwijk, Oegstgeest, Teylingen, Zoeterwoude
Zuid-Holland Centraal
Lansingerland, Leidschendam-Voorburg, Pijnacker-Nootdorp, Voorschoten, Wassenaar, Zoetermeer
Haaglanden
Delft, ‘s-Gravenhage, Midden-Delfland, Rijswijk, Westland
Midden-Holland
Bodegraven-Reeuwijk, Gouda, Krimpenerwaard, Waddinxveen
Overzicht onderwijsregio’s binnen de regio Zuid-Holland-Noord
Op zoek naar meer informatie?
OCW Dashboard – Onderwijsarbeidsmarkt in cijfers
Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft het dashboard Onderwijsarbeidsmarkt in cijfers ontwikkeld. Voor het primair onderwijs kunnen verschillende gebiedsniveaus (bv. onderwijsregio of arbeidsmarktregio) en thema’s geselecteerd worden. Hier is meer te vinden over werkgelegenheid, personeel, arbeidsmobiliteit, lerarenopleidingen en de ontwikkeling van leerlingen, scholen en schoolbesturen.
Praktijkverhalen uit de regio
Het Arbeidsmarktplatform PO verzamelt inspirerende verhalen uit de praktijk van het primair onderwijs. Op de pagina Praktijkverhalen kun je eenvoudig jouw regio selecteren om te ontdekken wat daar speelt. Liever breder kijken? Laat je dan inspireren door ervaringen uit andere regio’s.
Regionaal maatwerk
Heb je een extra vraag over de data in jouw regio? Laat het ons weten via het contactformulier. Afhankelijk van je vraag denkt een adviseur of onderzoeker graag met je mee.
Scenariomodel
Ben je op zoek naar aanvullende gegevens over de arbeidsmarkt in jouw regio, bijvoorbeeld over jouw eigen school, schoolorganisatie of samenwerkingsverband? Of heb je een andere vraag over regionale arbeidsmarktgegevens? Het Arbeidsmarktplatform PO helpt je graag. Neem contact met ons op of maak gebruik van één van onze instrumenten, zoals het Scenariomodel PO. Via het Scenariomodel PO kun je zelf een berekening maken van de benodigde formatie op jouw school, schoolorganisatie of regio voor de komende jaren. Door deze gegevens te combineren met de leerlingenprognose zie je op tijd of je schoolorganisatie of -locatie te maken krijgt met over- of ondercapaciteit.
Bronvermelding
Centerdata
Van Centerdata zijn de Arbeidsmarktramingen primair onderwijs 2025 gebruikt. Deze worden opgesteld in opdracht van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Meer informatie over deze regio is te vinden in Arbeidsmarktraming 2025 Zuid-Holland-Noord.
DUO
Er is gebruik gemaakt van de openbare onderwijsdata over het primair onderwijs van DUO voor enkele figuren op deze pagina.
Vereniging Hogescholen
Voor enkele figuren is data van de Vereniging Hogescholen gebruikt, deze zijn afkomstig uit het Dashboard instroom, inschrijvingen en diploma’s en Dashboard studiesucces, uitval en studiewissel.
UWV
Uit het Dashboard Spanningsindicator van het UWV is data gehaald over de krapte op de gehele arbeidsmarkt en binnen de pedagogische beroepen.