Landelijke aanpak personeelstekort
ArbeidsmarktontwikkelingenHet primair onderwijs kent een groot kwantitatief personeelstekort. De instroom van nieuwe leraren en schoolleiders is te klein om het vertrek op te vangen van collega’s die met pensioen gaan, in een andere onderwijssector gaan werken of buiten het onderwijs hun carrière vervolgen. Schoolorganisaties, werkgeversorganisaties, onderwijsvakbonden, opleidingen, gemeenten en de landelijke overheid werken samen om het personeelstekort aan te pakken. Om de sector te ondersteunen bij het maken van keuzes, heeft het Arbeidsmarktplatform PO informatie verzameld over de landelijke aanpak van het personeelstekort.
Huidige samenstelling personeel
Tussen 2020 en 2024 is het aantal fte vervuld door directiepersoneel met 1,1% gestegen (naar 8.000 fte) en het aantal fte vervuld door leraren met 2,2% gedaald (tot 90.700 fte). Voor onderwijsondersteunend personeel (OOP) zien we een sterke toename, van 27.770 fte in 2020 naar 35.790 fte in 2024 (ongeveer 29%). Mede door deze sterke toename worden onderwijsteams steeds diverser.
De leeftijdsverdeling van het personeel is sinds 2020 veranderd. Meest opvallend is de toename in het aandeel 25-minners en 65-plussers en de afname van de groep tussen 55 en 65 jaar. In de leeftijdsverdeling zijn verschillen zichtbaar tussen de functiegroepen. Leraren en OOP’ers zijn gemiddeld wat jonger, terwijl directieleden wat ouder zijn. Zo is meer dan de helft van de leraren en OOP’ers jonger dan 45 jaar. Van het directiepersoneel is juist ongeveer 65% ouder dan 45 jaar.
Centerdata brengt de personeelstekorten – van zowel schoolleiders als leraren – jaarlijks in beeld. Zij meten zowel openstaande vacatures, als verborgen tekorten. Bij verborgen tekorten gaat het om ongewenste situaties, zoals de inzet van onbevoegden of het samenvoegen van klassen. Hieronder vatten we enkele opvallende cijfers uit de meting Personeelstekorten primair onderwijs 2024 (gepubliceerd december 2024) samen, voor zowel de leraren als schoolleiders.
Tekort leraren in cijfers
Uit de meting Personeelstekorten primair onderwijs 2024 blijkt dat het landelijk tekort voor leraren 8,1% van de werkgelegenheid van leraren bedraagt, oftewel ongeveer 7.730 fte. Dit is het totaal van openstaande vacatures en verborgen tekorten, wat zowel geldt voor de reguliere als de vervangingsposities. Dit is een afname in het landelijk tekort vergeleken met 2023. Een verborgen tekort is een tekort dat niet zichtbaar is in de officiële cijfers, maar wat bijvoorbeeld wordt opgelost door klassen samen te voegen of een OOP’er voor de klas te zetten.
Uitstroom oudere medewerkers en instroom van jongere leraren
De vergrijzing van het personeelsbestand is een belangrijke factor voor het lerarentekort. Het aantal leraren ouder dan 65 jaar is de afgelopen vijf jaar met ongeveer 46% gegroeid, van circa 1.302 fte in 2020 naar ruim 1.899 fte in 2024. Dit komt onder andere door de verhoging van de AOW-leeftijd.
Aan de andere kant is de instroom van jongere leraren ook toegenomen; tussen 2020 en 2024 is het aandeel leraren jonger dan 25 jaar met ongeveer 8% gestegen. Daarnaast is het aantal zij-instromers ook flink toegenomen: in 2024 werden 852 subsidies toegekend, tegenover 23 in 2014. Toch is dit mogelijk niet voldoende om de uitstroom van oudere leraren te compenseren.
Regionale verschillen in het lerarentekort
Het lerarentekort is niet evenredig verdeeld over regio’s of scholen; in de vijf grote steden (Almere, Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht (G5) ligt het tekort aanmerkelijk hoger. Opvallend is dat de tekorten in het basisonderwijs binnen de G5 ruim twee keer hoger liggen dan daarbuiten: binnen de G5 ligt het tekort op 15,8% en buiten de G5 op 6,6%.
Extra uitdagingen voor scholen met specifieke kenmerken
De afgelopen jaren lagen de landelijke tekorten in het speciaal basisonderwijs en het (voortgezet) speciaal onderwijs wat hoger dan in het reguliere basisonderwijs. Deze verschillen naar schooltype zien we nu minder, maar ook hier zijn de tekorten binnen de G5 hoger dan daarbuiten. Basisscholen met een hoog leerlingengewicht voor onderwijsachterstanden, hebben ook meer last van het tekort dan scholen met een laag gewicht. Kijkend naar de cijfers is duidelijk dat complexere scholen – speciaal onderwijs en scholen met veel achterstandsleerlingen – meer moeite hebben om voldoende personeel aan te trekken.
Tekort schoolleiders in cijfers
Op 1 oktober 2024 bedraagt het totale landelijke tekort aan schoolleiders 9,8% van de werkgelegenheid voor schoolleiders. Dit komt overeen met ongeveer 850 fte. Omdat schoolleiders gemiddeld een aanstelling van 0,9 fte hebben, zijn er dus ruim 940 nieuwe schoolleiders nodig. We zien een daling in het tekort: in 2023 was het landelijke tekort aan schoolleiding 15,1%.
Het tekort aan schoolleiders is buiten de G5 (9%) lager dan binnen de G5 (14,4%). Hiermee ligt het schoolleiderstekort binnen de G5 lager dan het lerarentekort. Binnen de G5 is het tekort (verborgen en openstaande vacatures) het hoogst in Amsterdam (ruim 22%) en het laagst in Rotterdam (ongeveer 10%). Landelijk (exclusief de G5) gezien ervaart 88% van de scholen geen tekorten aan schoolleiders, terwijl 9% een tekort van meer dan 30% ervaart.
Tekorten naar schooltype
Het tekort aan schoolleiders verschilt per schooltype. Binnen de G5 zijn de tekorten het grootst in het basisonderwijs en speciaal onderwijs, met respectievelijk 14,5% en 15%. In het speciaal basisonderwijs ligt het schoolleiderstekort lager, ongeveer 10%. Buiten de G5 is het tekort aan schoolleiders het grootst in het basisonderwijs (9,3%), ten opzichte van 7,7% in het speciaal onderwijs en 4,7% in het speciaal basisonderwijs.
Tekorten naar schooltype
Waar voor het lerarentekort een verband zichtbaar is met achterstandsgewicht, is dat voor het schoolleiderstekort beperkt het geval. Binnen de G5 zijn de tekorten het grootst voor scholen met een hoog (22,1%) en zeer hoog gewicht (13,2%), echter volgen daarna scholen met een laag gewicht (13%). Buiten de G5 is het tekort aan schoolleiders het grootst voor scholen met een zeer hoog en gemiddeld gewicht (respectievelijk 12,2% en 11,1%).
Toekomstige tekorten
Ook naar de toekomstige personeelstekorten wordt onderzoek gedaan: zowel naar de omvang van het verwachte leraren- en schoolleiderstekort als de spreiding over het land. Dit hangt af van verschillende factoren zoals het aantal leerlingen, het aantal afgestudeerden van de pabo en de in-en uitstroom. Dit onderzoek wordt uitgevoerd door Centerdata, in opdracht van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Het wordt gepubliceerd in de jaarlijkse rapportage Arbeidsmarktramingen onderwijs 2024
Aantal leerlingen daalt de komende tien jaar
De verwachting is dat het aantal leerlingen in het po de komende jaren eerst zal dalen van 1.467.000 in 2025 tot 1.433.000 in 2031. In de jaren erna zal het aantal leerlingen weer gaan toenemen, naar 1.446.000 leerlingen in 2034. Over de gehele periode komt dit neer op een afname van 1,4%.
Dalende trend aantal (beschikbare) afgestudeerden
De komende jaren wordt er minder aanwas vanuit de pabo verwacht. Zo zal het aantal afgestudeerden dalen van ongeveer 4.230 in 2025 tot 3.790 in 2034, een afname van ruim 10%. Niet alle paboafgestudeerden zullen in het po gaan werken. Dit zorgt ervoor dat het aantal beschikbare afgestudeerden lager ligt. In 2034 zullen er ongeveer 3.530 afgestudeerden beschikbaar zijn, wat neerkomt op een afname van bijna 11% ten opzichte van 2025.
Uitstroom leraren hoger dan instroom
Het verschil tussen de instroom en de uitstroom van leraren is belangrijk voor de behoefte aan medewerkers en het effect op tekorten. De verwachte uitstroom ligt tussen 2025 en 2035 ieder jaar hoger dan de instroom. De instroom zal de komende jaren dalen van 4.870 fte in 2025 tot 4.050 fte in 2034, terwijl de uitstroom in deze periode daalt van 5.225 fte tot 4.340 fte. De uitstroom zal dus in absolute aantallen sterker afnemen dan de instroom.
Werkgelegenheid leraren en schoolleiders zal afnemen
De ontwikkeling van de werkgelegenheid van leraren en schoolleiders hangt samen met de leerlingaantallen. De werkgelegenheid zal eerst dalen, van 101.900 fte in 2025 tot 100.300 fte in 2030 en 2031. Hierna wordt een lichte toename verwacht naar 101.100 fte in 2034. Kortom, een afname van 0,8% in de werkgelegenheid van leraren en schoolleiders tussen 2025 en 2034.
Onvervulde werkgelegenheid neemt eerst af en daarna toe
In onderstaande figuur staat de in 2024 opgestelde prognose voor de onvervulde werkgelegenheid in fte, van de leraren plus de schoolleiders. De onvervulde werkgelegenheid is de werkgelegenheid die resteert na instroom. Met andere woorden, dit is het aantal fte waarvan wordt verwacht dat deze niet kunnen worden ingevuld. De onvervulde werkgelegenheid lag in 2025 op 5.180 fte. Naar verwachting daalt dit vervolgens licht tot 4.777 fte in 2028 en neemt het vanaf dat jaar toe tot 5.950 fte in 2034. De relatieve onvervulde werkgelegenheid (de onvervulde werkgelegenheid als percentage van de totale werkgelegenheid) was in 2024 5,1%, zal naar verwachting tot 2028 afnemen en daarna weer toenemen tot 5,9% in 2034.
Toekomstscenario’s maken met het Scenariomodel PO
Voor schoolorganisaties in het (speciaal) basisonderwijs biedt het Scenariomodel PO een hulpmiddel om inzicht te krijgen in toekomstige ontwikkelingen. Dit prognose-instrument maakt het mogelijk om:
- De verwachte ontwikkeling van leerlingenaantallen te analyseren.
- Toekomstscenario’s op te stellen op school, bestuur en regionaal niveau.
- Inzicht te krijgen in de benodigde formatie in fte voor leraren.
- Een strategische personeelsplanning maken aan de hand van eigen personeelsgegevens, wat inzicht geeft in de toekomstige personeelsbehoefte.
- De gebruikte invoergegevens, zoals de basisgeneratie, marktaandelen en doorstroomkansen, te raadplegen.
Het Scenariomodel PO ondersteunt schoolorganisaties bij het onderbouwen van keuzes op het gebied van personeelsbeleid en formatieplanning.
Schrijf je in voor onze maandelijkse nieuwsbrief
Vul je e-mailadres in en blijf op de hoogte van ontwikkelingen in het primair onderwijs en onze publicaties, bijeenkomsten & kennissessies.