Landelijke aanpak personeelstekort
Maatregelen aanpak personeelstekortHet primair onderwijs kent een groot kwantitatief personeelstekort. De instroom van nieuwe leraren en schoolleiders is te klein om het vertrek op te vangen van collega’s die met pensioen gaan, in een andere onderwijssector gaan werken of buiten het onderwijs hun carrière vervolgen. Schoolbesturen, werkgeversorganisaties, onderwijsvakbonden, opleidingen, gemeenten en de landelijke overheid werken samen om het personeelstekort aan te pakken. Om de sector te ondersteunen bij het maken van keuzes heeft het Arbeidsmarktplatform PO informatie verzameld over de landelijke aanpak van het personeelstekort.
Verbeteren arbeidsomstandigheden
De landelijke aanpak van het personeelstekort in het primair onderwijs (po) bestaat uit verschillende maatregelen. Het aanpakken van de werkdruk is belangrijk voor het behoud van onderwijsmedewerkers, net als begeleiding van starters. Informatie over tevredenheid over arbeidsmarktomstandigheden, het beroepsbeeld werkdruk en verzuim, starters en vertrekredenen vind je hieronder.
Ziekteverzuim
Ziekteverzuim en werkdrukVolgens het Verzuimonderzoek po en vo 2025 ligt het verzuimpercentage in het primair onderwijs op 6,1% onder het onderwijzend personeel en 6,7% onder het ondersteunend personeel. Deze percentages zijn tussen 2022 en 2024 vrijwel stabiel gebleven. Binnen het onderwijzend personeel is het verzuim het hoogst in de leeftijdscategorie 65 jaar en ouder. Bij het ondersteunend personeel zijn de verzuimcijfers in de leeftijdsgroepen 55–64 jaar en 65 jaar en ouder nagenoeg gelijk.
Uit de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) 2024 – Sector Onderwijs blijkt dat het grootste deel, ruim de helft, van het verzuim komt door verkoudheid of griep. Het verzuim door psychische klachten, zoals overspannenheid of burn-out is in het po gemiddeld 7,4% van het verzuim. Uitgesplitst naar functies bestaat het volgende beeld: van de keren dat leraren in het po verzuimden, gaf 7,8% aan dat dit door dergelijke klachten kwam. Bij het overige en ondersteunende personeel lag dit op 6,6%, en bij het management op 5,4%.
Het Vervangingsfonds Participatiefonds (VfPf) houdt zich bezig met het ziekteverzuim en de werkdruk in het po. Het fonds zet zich in om beiden te verlagen. Het verlagen van het kortdurende en langdurende ziekteverzuim heeft direct effect op de personeelstekorten.
Werkdruk
Een te hoge werkdruk was 25% van de tijd de voornaamste reden voor werkgerelateerde klachten. In 2022 lag dit op 21%. Overspannenheid of burn-outklachten (vastgesteld door een arts) is in het po in het algemeen toegenomen van 3,6% in 2022 tot 4,3% in 2024. Veel leraren kampen door de hoge werkdruk met burn-outklachten. Zij geven in de NEA bovengemiddeld aan dat zij in korte tijd veel werk moeten verzetten en emotioneel erg betrokken zijn bij hun werk, terwijl zij weinig autonomie ervaren om hun eigen tijd in te delen. Lesgeven is daarmee een ‘high strain job’.
Op de vraag of de werkgever (extra) maatregelen moet nemen als het aankomt op werkdruk en werkstress, geeft 41% aan dat er al voldoende maatregelen zijn maar ook 52,5% dat er nog onvoldoende of geen maatregelen zijn.
Aanpak werkdruk
In 2018 sloten de vakbonden, de PO-Raad en het kabinet het Werkdrukakkoord, waarmee middelen beschikbaar waren gesteld voor schoolorganisaties om werkdruk aan te pakken. Deze middelen moesten volgens het akkoord direct bij de schoolteams terecht komen. Dat kon bijvoorbeeld meer leraren of onderwijsassistenten zijn, of een mix daarvan. De besteding van de werkdrukmiddelen wordt met het team vastgesteld in het werkverdelingsplan. De personeelsgeleding van de medezeggenschapsraad moet het plan goedkeuren. De PO-Raad heeft een toolbox ontwikkeld voor scholen om te berekenen hoeveel budget de school hiervoor ontvangt.
Onderzoeksbureau Oberon heeft van vier schooljaren (2020-2024) de besteding van de middelen vanuit het werkdrukakkoord gemonitord en onderzocht welke gevolgen dit had voor de ervaren werkdruk. Uit de eindrapportage Samen sterk voor minder werkdruk blijkt dat er nog steeds veel aandacht is voor het thema werkdruk. De middelen konden door de scholen naar eigen inzicht besteed worden. Vooral de werkdruk van de leerkrachten heeft op de scholen centraal gestaan. De werkdruk van onderwijs- of klassenassistenten werd op 60-70 procent van de scholen besproken en de werkdruk van de schoolleiders op ongeveer 33 procent. Voor zowel het regulier als speciaal basisonderwijs wordt het ondersteunen van leerlingen met specifieke ondersteuningsbehoeften als oorzaak voor werkdruk genoemd. Daarnaast werden er nog andere punten genoemd: een toename van zorgzwaarte onder leerlingen, het verdelen van tijd en aandacht met een passend lesaanbod voor een diverse klas, en de verschoven verantwoordelijkheid voor de opvoeding naar de school.
Tevredenheid arbeidsomstandigheden
Uit de NEA 2024 blijkt dat medewerkers in het primair onderwijs over het algemeen zeer tevreden zijn met hun arbeidsomstandigheden. Ongeveer 80% van alle medewerkers in het po geeft aan tevreden te zijn. Binnen de sector scoort het management het hoogst met 86,5% tevredenheid, gevolgd door het overige en ondersteunende personeel met 83,2%, en de leraren met 78,4%.
De waardering voor het werk zelf ligt nog hoger: 84,7% van alle medewerkers in het po is tevreden met het werk dat zij doen. Onder leraren is de waardering voor de inhoud van het werk bijzonder groot. Maar liefst 98,6% van hen is (heel) tevreden over hoe interessant hun werk is, aanzienlijk hoger dan het gemiddelde buiten het onderwijs, dat op 91% ligt.
Ook over verschillende arbeidsvoorwaarden is de tevredenheid hoog. Zo is 85% van de medewerkers tevreden over het salaris, 96% over de contractvorm en 93,5% over de cao. Daarnaast waardeert 95% de mogelijkheid om in deeltijd te werken. Tegelijkertijd is er ook een aandachtspunt: 40% van de medewerkers is niet tevreden over de mate waarin zij zelf hun werktijden kunnen bepalen.
Starters
In het algemeen zijn startende leraren positief over hun werk. Pas afgestudeerden geven hun baan in het onderwijs gemiddeld een 7,9. Het werken in het onderwijs krijgt een 7,8, terwijl het salaris, hoewel voldoende beoordeeld, met een 7,2 het laagste cijfer ontvangt.
Het arbeidsmarktplatform PO heeft in 2023 een verkenning uitgevoerd naar de wensen en behoeften van jonge starters. Onder deze groep zagen de onderzoekers veel intrinsieke motivatie, energie en passie voor het beroep. Het is voor jonge starters belangrijk dat er een goede sfeer is op de werkvloer en daarbuiten, dat ze terecht kunnen bij ervaren collega’s en dat er doorgroeimogelijkheden zijn.
Uit de Loopbaanmonitor 2024 blijkt dat het overgrote deel van de pabo-afgestudeerden, 90%, na het behalen van hun diploma daadwerkelijk in het onderwijs gaat werken. Ongeveer 11% van het cohort 2021 kiest voor een baan buiten het onderwijs, studeert verder of doet geen betaald werk. Pabo-afgestudeerden vinden bovendien sneller werk dan andere beginnende leraren: 89% van hen heeft binnen een jaar een baan, tegenover 73% van de afgestudeerden van zowel de tweedegraads- als universitaire lerarenopleiding.
Binnen het primair onderwijs heeft 46% van de pas afgestudeerde leraren direct een vast contract, terwijl 41% start met een tijdelijk contract met uitzicht op vast. Van alle startende leraren werkt 47% in een voltijdbaan en 29% in een grote deeltijdbaan van 24 tot 36 uur. Voor ruim de helft (54%) is een salarisverbetering een belangrijke voorwaarde om meer uren te gaan werken. Daarnaast geven starters aan dat duidelijke afspraken over de werkbelasting essentieel zijn.
Voor pas afgestudeerde leraren zijn dit de vijf belangrijkste motieven om leraar te worden:
- Lesgeven gaf me de mogelijkheid de ontwikkeling van kinderen en jongeren te beïnvloeden
- Lesgeven en leren waren zaken die ik interessant vond
- Lesgeven gaf mij de mogelijkheid om bij te dragen aan de samenleving
- Lesgeven gaf me de mogelijkheid mijn interesse in mijn vakgebied te delen
- Lesgeven gaf me de mogelijkheid de ontwikkeling van kansarme kinderen en jongeren te versterken
Begeleiding van starters
Goede begeleiding van pas afgestudeerden is van groot belang voor hun professionele ontwikkeling. De afgelopen jaren hebben werkgevers en medewerkers ruimte gemaakt in de cao voor uitbreiding van de begeleiding.
De afgelopen jaren is het percentage beginnende leraren in het po dat begeleiding krijgt redelijk gelijk gebleven, laat de Loopbaanmonitor 2024 zien: 88% van de beginnende leraren geeft aan begeleiding te krijgen. Echter, de begeleiding wordt niet altijd actief aangeboden: bij 50% van de beginnende leraren werd dit actief aangeboden en bij 32% kwam dit pas als zij er zelf om vroegen. Op de meeste aspecten van de beoordeling van de begeleiding scoren opleidingsscholen beter dan niet-opleidingsscholen. Beide scoren hoog op de hulp van ervaren collega’s en aan de lage kant op een uitgewerkt programma voor starters. Of de begeleiding bij de leerbehoefte past en of er aandacht is voor starters liggen het meest uit elkaar.
Daarnaast geeft de Loopbaanmonitor ook inzicht in de vormen van begeleiding die beginnende leraren krijgen. In Tabel 1 staan de soorten begeleiding weergegeven met hoe vaak zij aangeven deze vorm van begeleiding te krijgen.
Tabel 1. Soorten begeleiding in het po, 2024
| Een introductiebijeenkomst voor beginnende leraren | 42% |
| Een begeleidingsprogramma voor beginnende leraren | 37% |
| Groepje met nieuwe leerkrachten dat regelmatig bijeenkomt (intervisiegroep) | 36% |
| Begeleiding door een ervaren docent (uit de vaksectie) | 34% |
| Begeleiding door de schoolleiding | 26% |
| Begeleiding door een mentor/ coach | 41% |
| Aantal lessen wordt bijgewoond door en nabesproken met een ervaren docent | 33% |
| Er werd een cursus aangeboden | 8% |
| Begeleiding door een buddy | 21% |
| Anders | 8% |
Bron: Loopbaanmonitor 2024, Centerdata
Veranderen en vertrekken
Leraren die eenmaal in het po werken, zijn de sector erg trouw. Zij wisselen vooral van baan binnen hun school, schoolorganisatie of het po, zo laat de verkenning Wat drijft de mobiele leraar van het Arbeidsmarktplatform PO zien. De 20% die het po verlaat, stapt vooral over naar een andere onderwijssector.
Veranderen
Uit onderzoek blijkt dat de arbeidsmarktmobiliteit van jonge, hoogopgeleide medewerkers vaak hoger ligt; zij wisselen vaker van baan dan oudere medewerkers en praktisch opgeleiden. Zoals Researchned beschrijft heeft arbeidsmarktmobiliteit als voordeel dat medewerkers een frisse blik meebrengen en aansporen tot persoonlijke ontwikkeling.
De mobiliteit binnen het po toont dat het aantal leraren dat naar een ander bestuur overstapt, licht is gedaald naar 4,5% in 2023, toont de Trendrapportage 2024. Daarnaast is er een aanzienlijke mobiliteit van leraren tussen de grote steden (G5) en andere gemeenten. De afgelopen jaren zijn er meer leraren vanuit de G5 naar andere gemeenten vertrokken dan andersom.
Scholen en schoolbesturen kunnen zelf ook veel doen om het werken in het onderwijs aantrekkelijk te maken en houden. Het Arbeidsmarktplatform PO verzamelde zes praktijkverhalen en de theorie in de publicatie De school als aantrekkelijke werkomgeving. Hierin zijn ervaringen en aanbevelingen uit de praktijk gecombineerd met de laatste wetenschappelijke inzichten.
Vertrekken
Uit de Trendrapportage 2024 blijkt, met enkele nuances, dat de percentages voor uitstroom uit de onderwijssector po het laagst ligt, vergeleken met het vo en mbo. Waar de uitstroom in 2023 op 8,1% in het po lag, lag dit in het vo op 9,5% en in het mbo op 10,9%.
Veruit het grootste deel van de uitstroom uit het po is naar pensioen, maar ook onder starters ligt het percentage gemiddeld gezien aan de hogere kant met 4,6%.
Uit het onderzoek Vertrekredenen leraren en docenten in het po, vo en mbo van ResearchNed komen meerdere redenen voor vertrek aan bod, de vijf grootste zijn:
- Werkdruk, stress, belasting van het beroep
- Gebrek aan persoonlijke uitdaging en professionele ontwikkeling
- Onvrede over de leiding/het management en/of het schoolbestuur
- Gebrek aan begeleiding en aan samenwerking in het team, teamsfeer
- Onvrede over de onderwijskundige visie, gebrek aan autonomie
Beroepsbeeld
In mei 2024 heeft Kennisland in opdracht van de lerarenorganisaties AOb, CNV Onderwijs, FvOv, BVMBO en Platform VVVO het Beroepsbeeld leraar opgesteld. Dit beroepsbeeld, op basis van 12 pijlers, biedt inzicht in de vaardigheden die leraren nodig hebben om hun kerntaken zo goed mogelijk uit te voeren, waarbij ze zich steeds kunnen blijven ontwikkelen. Ongeveer 6.000 leraren hebben bijgedragen aan de totstandkoming van dit beroepsbeeld door middel van enquêtes, inspiratiesessies en verdiepingsbijeenkomsten. Het beroepsbeeld kan schoolorganisaties helpen bij het gesprek over de rol van de leraar, de inhoud van het vak en loopbaanontwikkeling. Op de webpagina Beroepsbeeld leraar is meer te lezen over dit nieuwe beroepsbeeld en de aanpak ervan.
De afgelopen tijd zijn er meerdere stappen gezet om de aantrekkelijkheid van het beroep te verbeteren: salarissen zijn verhoogd, werkdrukmiddelen zijn beschikbaar gesteld en de loopbaanmogelijkheden worden middels de NAPL vergroot. Hieronder is meer informatie over het Werkdrukakkoord en de werkdrukmiddelen. Op de pagina Verbeteren arbeidsvoorwaarden lees je meer over het verhoogde salaris en de loopbaanmogelijkheden.
Schrijf je in voor onze maandelijkse nieuwsbrief
Vul je e-mailadres in en blijf op de hoogte van ontwikkelingen in het primair onderwijs en onze publicaties, bijeenkomsten & kennissessies.