Verbeteren arbeidsvoorwaarden

Hoger salaris en beter carrièreperspectief

In 2022 zijn de salarisschalen uit het primair onderwijs (po) gelijkgetrokken met die van het voortgezet onderwijs (vo). De loonkloof tussen de twee sectoren is daarmee gedicht. Voor leraren in het basis- en speciaal onderwijs betekent het een forse salarisverbetering. Daarnaast loopt de cao’s van het po en vo bij de vernieuwing ook gelijk op.

Het beleid: loonkloof dicht, extra toelage achterstandsscholen

Loonkloof dichten: In april 2022 spraken vakbonden, werkgevers en het ministerie van OCW in het Onderwijsakkoord een reeks maatregelen af om werken in het po aantrekkelijker te maken. Met een financiële impuls van ruim 920 miljoen euro zijn de salarisschalen van het po helemaal gelijkgetrokken met die van vergelijkbare functies in het vo. Dat geldt zowel voor onderwijsondersteuners, leraren als directies. Loonstijgingen in het po en vo gaan voortaan gelijk op. Gemiddeld gaat het bij het onderwijsakkoord om 9 procent meer voor leraren en 11 procent voor schoolleiders.

Extra toelage achterstandsscholen: Omdat scholen met een hoog percentage achterstandsleerlingen het meeste moeite hebben om voldoende personeel te vinden, besluit minister Slob van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (kabinet Rutte III) in 2021 om leraren op deze scholen een extra toelage te geven. Gemiddeld gaat het om een plus van 8 procent. Daarvoor werd voor het po en vo 375 miljoen euro vrijgemaakt uit het Nationaal Programma Onderwijs, het fonds dat is opgericht om de door corona opgelopen extra achterstanden weg te werken. De toelage geldt voor de schooljaren 2021/2022 en 2022/2023.

In de implementatiemonitor van ResearchNed en SEO twijfelen schoolbestuurders aan de effectiviteit van de extra toelage. Schoolleiders zijn daar juist positiever over. In het coalitieakkoord 2022 van het vierde kabinet Rutte is afgesproken dat de toelage structureel wordt. De precieze invulling kan wijzigen op basis van de eindevaluatie, ‘maar het doel blijft overeind’, schrijft onderwijsminister Wiersema aan de Tweede Kamer in april 2022. In de begroting is 150 miljoen structureel voor de toelage opgenomen, voor het po en vo samen.

Carrièreperspectief

Leraar zijn lijkt veel jongeren een eentonige baan: alleen maar lesgeven. In het po zijn echter volop mogelijkheden om andere taken binnen de school te doen of carrièrestappen te zetten.

De meeste leraren in het basisonderwijs (72 procent) zitten in schaal L10, hun collega’s in het speciaal onderwijs in de hogere schaal L11 (85 procent). Deze verhouding van de functiemix is al jaren stabiel. Met ingang van 2022 is de schaalindeling aangepast en qua naamgeving en salaris gelijk getrokken met die in het vo. Wie in schaal 10 zat komt in LB, wie in schaal 11 zat in LC en degenen uit schaal 12 gaan naar LD.

Wie in L10 wordt ingeschaald geeft voornamelijk les en kan daarnaast nog een specialisme hebben, zoals remedial teaching of intern begeleider. Ruim een kwart van de leraren zit in schaal L11, en houdt zich naast lesgeven ook bezig met beleidsvorming, bijvoorbeeld op het gebied van onderwijsvernieuwing. Leraren speciaal onderwijs worden ingeschaald in L11, wie werkt op bovenschools niveau aan visievorming en onderwijsontwikkeling komt meestal in L12 terecht. Via bijscholing kunnen leraren binnen hun schoolsoort op die manier een carrièrestap maken. De overstap van basis naar speciaal onderwijs is een andere route. Die vraagt om extra opleiding, bijvoorbeeld een master special education needs, waar een ander salaris bij past. Een kleine groep leraren – in 2017 rond de 600 – besluit om schoolleider te worden, zo blijkt uit het Centerdata-onderzoek Arbeidsmobiliteit van leraren primair onderwijs. Nieuwere cijfers daarover zijn niet beschikbaar. Een andere kleine groep maakt de overstap naar het vo.

Loopbaanmogelijkheden

In het onderzoek Loopbaanpaden in het primair onderwijs van Berenschot (2018) leraren nagedacht over welke rollen zij naast hun lesgevende taken willen vervullen:

  • Leraar-vakspecialist: specialist in een bepaald vakgebied, zoals taal, rekenen, spelling of Engels.
  • Leraar-coördinator: coördineert alle werkzaamheden rondom het specifieke thema waarvoor hij coördinator is. Bijvoorbeeld bouwcoördinator.
  • Leraar-coach: draagt zorg voor de begeleiding van stagiairs, starters of verzorgt trainingen voor collega-leraren en tijdens studiedagen.
  • Leraar-onderzoeker: verricht onderzoek ten behoeve van het verbeteren van de onderwijskwaliteit binnen de school of het schoolbestuur.
  • Leraar-ontwikkelaar: is naast lesgeven betrokken bij het ontwikkelen van bijvoorbeeld doorlopende leerlijnen, curriculum of lesmateriaal.
  • Leraar-vernieuwer: houdt zich op de hoogte van innovatieve ontwikkelingen binnen het onderwijs en bekijkt of deze ontwikkelingen een plaats binnen de school of het schoolbestuur kunnen krijgen.
  • Leraar-beleidsmaker: is naast lesgeven betrokken bij de ontwikkeling en het opstellen van beleid (op het gebied van onderwijskwaliteit) binnen de school of het schoolbestuur.
  • Leraar met zorgtaken: is naast groepsleerkracht bijvoorbeeld ook orthopedagoog, remedial teacher of intern begeleider.

Hybride docent: combineert het lesgeven met werkzaamheden buiten de school, zoals sectorconsulent bij een vakbond of het ministerie van OCW als beleidsmedewerker.

Professionalisering

Het bijhouden van het vak, nieuwe inzichten opdoen bij een cursus of een vervolgstudie – kortweg professionalisering – is essentieel voor de kwaliteit én het behoud van leraren en schoolleiders. De afgelopen jaren zijn er daarom steeds meer mogelijkheden gekomen voor cursussen en opleidingen.

Lange tijd was er in het primair onderwijs relatief weinig ruimte om een cursus of opleiding te volgen. Dat veranderde radicaal met de introductie van de Lerarenbeurs in 2018. Aanvankelijk bedoeld voor uitgebreidere cursussen zoals een masterstudie, waarbij zowel de opleiding als vervanging werd geregeld. Later zijn ook kortere opleidingen aan het palet toegevoegd. Het aantal afspraken in de cao over financiering of tijd voor bijscholing is ook toegenomen.

Deelname groot

De deelname aan scholingsactiviteiten is hoog, zo blijkt uit de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden van 2021. In de twee jaar daaraan voorafgaand volgden bijna zeven van de tien leraren een cursus. Vooral om beter te worden in hun vak. Op de vraag of men op dit moment behoefte aan een opleiding heeft antwoordt meer dan de helft ontkennend.

Teamgerichte scholing populair

Veel schoolteams volgen samen scholing, zo blijkt uit de verkenning Op weg naar gedifferentieerd loopbaanbeleid. De meest voorkomende soort scholing die leraren in 2019 volgen is teamgerichte nascholing (58 procent). Ook informeel leren op de werkvloer is met 52 procent populair. Op drie volgen kortdurende individuele trainingen, cursussen en opleidingen met 47 procent. Na deelname aan deze professionaliseringsactiviteiten oordeelt bijna 94 procent van het personeel dat hun kennis en vaardigheden zijn toegenomen.

Het beleid: professionalisering stevig in de cao

In de cao primair onderwijs 2022 zijn bestaande en nieuwe afspraken opgenomen over professionalisering. Deze zijn voor leraren onder meer:

  • Beleid: de school maakt in overleg met het personeelsdeel van de medezeggenschapsraad een professionaliseringsbeleid.
  • Eigen scholingsbudget: leerkrachten hebben een budget voor individuele scholing. Bij een fulltime baan is dat 2 uur per werkweek en financieel 500 euro per jaar. Het budget kan maximaal drie jaar worden gespaard.
  • Verplichte scholing: de kosten – cursusgeld, materiaal en reiskosten – voor opgedragen scholing worden vergoed. De tijd voor opgedragen professionalisering komt uit de jaartaak.
  • Basisvaardigheden: het ministerie van OCW trekt vanaf 2022 extra geld uit voor cursussen voor basisvaardigheden en herziening van het curriculum. In totaal gaat het om 65 miljoen euro. De uitwerking daarvan volgt later in de cao.

Subsidies voor professionalisering

Naast regelingen via de werkgever, zijn er subsidieregelingen waar leraren gebruik van kunnen maken voor bijscholing.

Lerarenbeurs: sinds 2008 kunnen leraren hiervan gebruik maken. De beurs vergoedt de kosten van de opleiding en betaalt een vervanger. Het po is de grootste gebruiker, bij driekwart van de besturen volgen leraren een opleiding. De meest gekozen studie – twee derde – is de master special education needs. Aanvankelijk was er 100 miljoen euro per jaar beschikbaar, inmiddels is dat 60 miljoen euro. Oorspronkelijk zou de beurs in 2022 ophouden te bestaan. Minister Wiersema heeft het opheffen een jaar uitgesteld om te wachten op evaluatie. ‘Doeltreffend en doelmatig’, noemt het rapport Professionalisering van leraren en docentenvan CAOP, Centerdata en Mooz de lerarenbeurs. ‘De bestendiging van de regeling is cruciaal. De beurs zorgt voor meer masteropgeleiden in po, vergroot de inzetbaarheid van docenten, behoudt leraren voor het beroep en verhoogt de kwaliteit. De subsidieregeling zorgt voor een kwaliteitsverbetering bij docenten en dat zij een betere positie krijgen.’ Ieder voorjaar kan de beurs bij DUO worden aangevraagd. 

Promotiebeurs: deze biedt docenten ondersteuning bij het schrijven van een proefschrift. Het doel van de beurs is docenten onderzoekservaring op te laten doen om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. Ieder jaar zijn er twee aanvraagrondes van dit programma, één in het voorjaar en één in het najaar. De beurs wordt beheerd door de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Leraren krijgen de beurs voor de kosten van hun onderzoek en kunnen maximaal 0,4 fte per week worden vrijgesteld. Inmiddels hebben ruim 500 leraren – uit po, vo, mbo en hbo – van de regeling gebruik gemaakt.