Meer leraren

Stimuleren belangstelling pabo

De belangstelling voor de pabo is te laag om de uitstroom van leraren uit het primair onderwijs (po) op te vangen. Om de instroom te verhogen zijn en worden er verschillende maatregelen genomen. Het beleid en de trends op een rij.

De vier belangrijkste beleidsmaatregelen om meer studenten voor de pabo te laten kiezen zijn achtereenvolgens:

1. Lager collegegeld

Sinds 2018 betalen studenten op de lerarenopleidingen de eerste twee jaar de helft van het collegegeld. Hiermee hoopt de overheid de instroom van pabostudenten te vergroten. Lees hier meer informatie over deze maatregelen.

2. Meer ruimte om aan de toelatingseisen te voldoen

In 2015 zijn de toelatingseisen voor de pabo voor leerlingen van de havo en het mbo verscherpt. Wanneer zij geen eindexamen hebben gedaan in aardrijkskunde, geschiedenis en natuur & techniek moeten zij vooraf extra toelatingstoetsen doen. Dit belemmert vermoedelijk de keuze voor de lerarenopleidingen. Hierdoor daalde de instroom scherp, maar vallen er minder studenten uit. Met ingang van het studiejaar 2022/2023 kunnen afgestudeerden de eisen voor de ontbrekende vakken vooraf én in het eerste twee jaar van de opleiding inhalen. Hiermee ontstaat er meer ruimte voor studenten om aan de toelatingseisen te voldoen. Lees hier meer uitleg over de toelatingseisen voor de pabo.

3. Flexibiliseren programma pabo

Het programma van de pabo wordt aangepast zodat deze beter aansluit op zij-instromers met werkervaring. Hierover heeft het ministerie van OCW in 2020 afspraken gemaakt met hogescholen en universiteiten in een bestuursakkoord. Eind 2022 worden de eerste stappen van dit akkoord geëvalueerd. Het nieuwe kabinet heeft aangekondigd sowieso verder te gaan met de flexibilisering, eventueel met bijstellingen op basis van de evaluatie. 

4. Vergroten kweekvijver in vo en mbo

De doorstroom van de havo en het vwo naar de lerarenopleidingen verschilt enorm per school, zo blijkt uit onderzoek van ResearchNed. Gemiddeld kiest ruim 7 procent van de havisten voor een lerarenopleiding basis- of voortgezet onderwijs, maar per school varieert dat tussen nul en 23 procent. De scholen waar door de jaren heen consequent meer leerlingen kiezen voor een lerarenopleiding, liggen bijna allemaal buiten de Randstad. Gemeenschappelijke kenmerken van deze groep scholen is een goede schoolsfeer, vaker van een bijzondere denominatie en intensievere studievoorlichting. Als vervolg hierop schrijven de ministers Robbert Dijkgraaf en Dennis Wiersema in hun brief over de lerarenstrategie dat zij de volgende maatregelen willen nemen:

  • loopbaanoriëntatie en begeleiding (lob) versterken;
  • pilots om keuzedelen gericht op doorstroom naar de pabo in het mbo-programma onder te brengen in schooljaar 2022/2023 en landelijk vanaf 2023/2024, en;
  • experimenten met de toelatingseisen voor de pabo om de instroom optimaal te bevorderen, zonder verlaging van de eisen.

Keuzemotieven pabo

Onderzoeksbureau Qompas onderzocht in 2018 de motieven van jongeren om al dan niet in het basisonderwijs te gaan werken. Een flinke groep jongeren weet vaak al vanaf jonge leeftijd dat ze in het basisonderwijs willen gaan werken. Veel betekenen voor anderen en trots op het beroep worden als belangrijke aantrekkingskracht genoemd. Voor mbo-studenten die mogelijk voor de pabo kiezen zijn baanzekerheid en een goed salaris ook een belangrijke plus. Maar er zijn ook twijfelaars en scholieren die zeker weten dat ze géén leraar willen worden. Door degenen die niet naar de pabo gaan wordt een laag salaris juist als een van de eerste minpunten genoemd, terwijl havisten en vwo’ers ook vrezen voor een gebrekkig carrièreperspectief. Opvallend is dat de eigen – blijkbaar slechte – ervaring als leerling als afwijzend motief wordt genoemd.

Belangrijkste reden om wél in het onderwijs te gaan werken
Havo/vwo scholieren
  1. Met dit werk kun je wat betekenen voor andere mensen
  2. Alleen topstudenten kunnen een baan krijgen in dit veld
  3. Ik zou trots zijn om mensen te vertellen dat het mijn baan is
Mbo-4 studenten         
  1. Met dit werk kun je wat betekenen voor andere mensen
  2. Het biedt baanzekerheid
  3. Het betaalt een concurrerend startsalaris
  4. Mijn familie zou trots zijn om te vertellen dat ik dit beroep uitoefen

(Bron: Qompas 2018, Optimale inrichting van lerarenopleidingen)

Instroom pabo schommelt

Het aantal eerstejaars op de lerarenopleiding basisonderwijs laat, na de daling tussen 2015 en 2017, de afgelopen zes jaar een stijgende trend zien. De piek ligt in 2020, waarna het aantal eerstejaars in 2021 weer daalde. Kijkend naar de vooraanmelding voor studiejaar 2022/2023 volgt opnieuw een bescheiden daling. Door veranderende doorstroomeisen voor de overstap van havo naar vwo voorziet de referentieraming van het ministerie van OCW andere keuzepatronen. Meer havo-gediplomeerden gaan naar het vwo, waardoor het totaal aantal hbo-eerstejaars zal afnemen.

De voltijdsopleidingen blijven in omvang de hofleverancier van nieuwe leraren basisonderwijs, maar de groei van de deeltijdopleidingen is veel sterker. Inmiddels volgen twee van de tien eerstejaars een deeltijdopleiding. De duale opleidingen winnen ook wat terrein, maar hun omvang blijft bescheiden. De deeltijd en duale opleidingen trekken veel 30-plussers die een carrièreswitch willen maken naar het onderwijs.

Uitval pabo

Niet alle eerstejaars halen op de pabo de eindstreep. Na een jaar verlaat tussen de 10 en 13 procent van de voltijdstudenten de studie. In de jaren daarna is de uitval gering. Bij de deeltijd en duale opleidingen ligt de uitval fors hoger. De uitval verschilt ook per vooropleiding. Studenten met een mbo-diploma lopen de meeste kans om af te haken.

Gediplomeerden pabo

De afgelopen jaren schommelde het aantal afgestudeerden van de lerarenleidingen tussen de 3.600 en 4.000. De komende jaren wordt een lichte toename verwacht door de hogere instroom in de jaren 2016-2020. Relatief studeren steeds meer studenten af via een opleiding in deeltijd.

Tevredenheid over pabo

Twee derde van de afgestuurde pabostudenten kijkt met tevredenheid terug op de opleiding, zo blijkt uit de Loopbaanmonitor Onderwijs 2021 van de onderzoeksbureaus CentERdata en MOOZ. Dat is fors lager dan de lerarenopleiding voortgezet onderwijs in het hbo. Het niveau van de opleiding scoort eveneens fors lager. Opvallend is dat de pabo beduidend beter scoort in het toepassen van ICT-gebruik.

Ook tussen pabo’s onderling zijn de verschillen groot. Op de best scorende pabo kijkt iets meer dan 90 procent tevreden terug op de opleiding, terwijl op de laagst scorende maar 40 procent dat doet. Volgens de onderzoekers zijn het steeds dezelfde opleidingen die goed of slecht worden beoordeeld door de afgestudeerden.

Vaak geen stagevergoeding

Afgestudeerden geven in de Loopbaanmonitor aan dat bijna de helft geen stagevergoeding krijgt als LIO of minder dan de cao voorschrijft. De cao-regel luidt: ‘Het salaris van de leraar in opleiding bedraagt 50 procent van schaal LB-1 of LC-1, vast te stellen door de werkgever.’ Dat komt voor 2022 neer op ongeveer 1.500 euro bruto. Volgens de onderzoekers van CentERdata en MOOZ weten veel pabostudenten niet waar ze recht op hebben.

Nieuwe opleidingsroutes

De afgelopen jaren zijn er binnen het hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs nieuwe opleidingsroutes voor leraren basisonderwijs bijgekomen. Zo willen hogescholen en universiteiten meer jongeren voorbereiden op het leraarsberoep en hen een op hun belangstelling en niveau toegespitst traject aanbieden.

Academische Lerarenopleiding

In 2008 startte de eerste academische lerarenopleiding basisonderwijs aan de Universiteit Utrecht. Sindsdien zijn er nog eens vijf aan universiteiten gestart. Zo willen de universiteiten jongeren met een vwo-diploma een opleiding op hun niveau aanbieden. Deze Academische Lerarenopleidingen Primair Onderwijs (ALPO) hebben zich verenigd in het samenwerkingsverband Unipa, afgestudeerden hebben een eigen beroepsvereniging Bab opgezet.

Per jaar starten rond de 400 vwo’ers aan deze universitaire opleidingen, dat is ongeveer driekwart van de jongeren die met een academische pabo begint. De instroom is redelijk stabiel en kent weinig groei.  Uit onderzoek van ECBO uit 2021 naar de positie van afgestudeerden blijkt dat slechts 3 procent van de afgestudeerden ziet dat schoolbesturen beleid hebben om hun extra academische vaardigheden te benutten. Op basis van hun wo-opleiding komen ze ook niet in een hogere salarisschaal. Na een paar jaar heeft 25 procent van de academisch opgeleide leraren het onderwijs verlaten. Het merendeel vanwege gebrek aan loopbaanmogelijkheden.

Twaalf pabo’s hebben een eigen academische route opgezet, meestal in combinatie met een universiteit waar zij een premaster onderwijswetenschappen volgen. Zij kunnen dan daarna doorstromen naar de masterstudie bij de universiteit. Een overzicht van deze opleidingen is in deze publicatie van de PO-Raad te vinden.

Combinatiestudies met pabo

De academies voor lichamelijke opvoeding (alo) bieden een combinatiestudie aan met de pabo. Het gaat om een vijfjarig programma, waarin de studenten zowel de bachelor alo als de bachelor leraar basisonderwijs halen. Studenten staan bij beide opleidingen ingeschreven. Een aantal hogescholen biedt daarnaast een combinatiestudie van jeugdhulpverlening of pedagogiek met de pabo aan. Ook hier halen studenten twee bachelor-diploma’s.

Alle combinatieprogramma’s zijn er op gericht om studenten met een specifieke interesse meer mogelijkheden op de arbeidsmarkt te geven en de instroom naar het beroep van leraar te verhogen.

Stimuleren zij-instromers

Mensen met een hbo- of wo-diploma kunnen na een assessment als zij-instromer voor de klas. Zij combineren hun baan met een verkort deeltijdtraject aan de pabo om hun bevoegdheid te halen. Dit is een nieuwe belangrijke route naar het leraarsberoep. In 2023 gaat de subsidie voor schoolbesturen die zij-instromers aanstellen omhoog om meer schoolbesturen te stimuleren zij-instromers aan te stellen.

Aantal zij-instromers stabiliseert

Het aantal zij-instromers – officieel Zij-instromer in het Beroep (ZiB) – is de afgelopen jaren snel gegroeid en stabiliseert nu rond de 700 per jaar.  Daarmee is het een belangrijke route om het aantal leraren te verhogen. De stabilisatie wordt soms verklaard door het feit dat scholen niet nog meer zij-instromers kunnen begeleiden. Ten opzichte van het aantal afgestudeerden van de pabo, is het aandeel zij-instromers gegroeid van vrijwel niets naar 18 procent.

Het beleid – meer subsidie en meer trajecten

Het ministerie van OCW stimuleert schoolbesturen met een subsidie om zij-instromers aan te nemen. Deze bestaat sinds 2016 en bedraagt 20.000 euro. In 2023 gaat het bedrag omhoog naar 25.000 om schoolbesturen te stimuleren méér zij-instromers aan te nemen. Met het geld kunnen de kosten voor opleiding en begeleiding op school worden betaald.

Daarnaast stimuleert het ministerie ook nog andere routes om mensen om te scholen zodat zij leraar worden:

  • Onderwijsassistenten en onderwijsondersteuners kunnen zich omscholen tot leraar. Het subsidieplafond wordt verhoogd naar 300 plaatsen per jaar. Na evaluatie van het bestaande traject in 2022 wordt bekeken of verdere uitbreiding van de regeling wenselijk is.
  • Vanaf 2022 start een programma voor statushouders die in eigen land een bevoegdheid hebben als leraar, om ook hier te kunnen gaan lesgeven. Op verschillende plaatsen zijn initiatieven gestart die als kansrijk voorbeeld dienen.
  • Om het schoolleiderstekort aan te pakken komt er ook een zij-instroomtraject voor schoolleiders primair onderwijs. In 2023 en 2024 kunnen honderd nieuwe schoolleiders worden aangetrokken die naast hun baan een opleiding volgen.
  • Afgestudeerden pedagogiek en onderwijskunde kunnen door vrijstellingen voor bepaalde vakken vaak in nog minder dan twee jaar hun bevoegdheid halen. Ze volgen de opleiding in deeltijd en mogen daarnaast meteen aan de slag.

Uitval zij-instromers

Landelijke cijfers over de uitval van zij-instromers ontbreken, de uitval lijkt laag. In de laatste Arbeidsmarktmonitor van CentERdata en MOOZ van 2022 staat dat 3 procent daadwerkelijk afhaakt. Dat relatief lage percentage afhakers heeft mogelijk te maken met het assessment, waar volgens de Loopbaanmonitor Onderwijs zij-instromers een duidelijk beeld krijgen van hun nieuwe baan en de opleiding. In het onderzoek van het Arbeidsmarktplatform PO (2019) geeft de meerderheid van de zij-instromers aan dat deze de combinatie van werk en studie als zwaar ervaart. Om uitval te voorkomen heeft het Arbeidsmarkt Platform PO een factsheet met tips ontwikkeld.

Motivatie zij-instromers

Het overgrote deel van de mensen dat overstapt naar het onderwijs is intrinsiek gemotiveerd: lesgeven, werken met kinderen, een bijdrage leveren aan de samenleving vormt de top drie van redenen om zij-instromer te worden. Elk van deze redenen wordt in de Loopbaanmonitor Onderwijs bij meer dan 90 procent van de deelnemers genoemd. Baanzekerheid en inkomen spelen een minder grote rol, deze twee worden door rond de 50 procent van de deelnemers genoemd.

Het Arbeidsmarktplatform PO en het arbeidsmarktplatform voor het voortgezet onderwijs Voion hebben samen een zelftest voor belangstellenden gemaakt, om te kijken of de overstap naar het onderwijs voor hen geschikt is. Hier vind je de zelftest Carrièreswitch naar het onderwijs

Meer informatie over en praktijkverhalen van zij-instromers vind je hier.

Tevredenheid zij-instromers

Wie overstapt naar het onderwijs is over het algemeen tevreden over het traject dat zij volgen, vooral over de begeleiding op school. Goede begeleiding is erg belangrijk voor de motivatie en slagingskans. De tevredenheid over de opleiding ligt een stuk lager. Zij-instromers zijn vooral ontevreden over het gebrek aan maatwerk van de opleiding in verhouding naar hun voorkennis. Van alle zij-instromers in het onderwijs zijn die in het basisonderwijs het minst tevreden over hun voorbereiding op de beroepspraktijk. Vooral het lesgeven aan verschillende doelgroepen en niveaus scoort laag (35 procent) in verhouding tot zij-instromers in het mbo (51 procent). In de Loopbaanmonitor Onderwijs van CentERdata en MOOZ (2021) concluderen de onderzoekers ‘dat vooral de scholingstrajecten in het po ruimte laten voor verbetering. Er wordt hier weinig maatwerk geboden en in de beleving van zij-instromers niet goed aangesloten bij de beroepspraktijk.’

Een sterk punt van het po bij de begeleiding op school is dat veel meer dan in andere sectoren eerst enige tijd samen met een ervaren collega wordt lesgegeven (54 procent) dan in voortgezet onderwijs en mbo (minder dan 10 procent). Volgens de onderzoekers zorgt dat voor een ‘soepele entree’. Volgens de monitor is daarnaast regelmatige lesobservatie door een vaste mentor of coach met feedback zeer effectief. Het po maakt daar veel gebruik van: 84 procent van de zij-instromers geeft aan dat zij ten minste drie keer zijn geobserveerd. In het voortgezet onderwijs is 31 procent van de zij-instromers één of twee keer geobserveerd.

Meer werken

In het primair onderwijs (po) wordt veel in deeltijd gewerkt. Zowel binnen als buiten het onderwijs wordt bekeken hoe meer mensen meer uren kunnen gaan werken om het leraren-/schoolleiders- en algemene personeelstekort op te lossen. Daarnaast worden ouderen gestimuleerd om langer door te werken.

Deeltijdwerk is een typisch Nederlands verschijnsel. Nergens wordt zo veel parttime gewerkt – vooral door vrouwen – als in Nederland. Hierdoor ligt de arbeidsparticipatie van vrouwen weliswaar hoog, maar ligt het totaal aantal gewerkte uren laag. Van alle werknemers hebben volgens het CBS begin 2022 mannen een baan van gemiddeld 36 uur en vrouwen 28. Dat verschil heeft consequenties. Vrouwen verdienen daardoor bijvoorbeeld minder en zijn minder vaak economisch zelfstandig. In zorg en onderwijs, waar veel vrouwen werken, betekent het dat in tijdens van personeelskrapte er sneller tekorten zijn. In 2020 hield de overheid een Interdepartementaal Beleids Onderzoek De(el)tijd zal het leren  om te kijken hoe mensen te bewegen zijn om meer te gaan werken. Dat vraagt volgens het onderzoek om een reeks van maatregelen:

  • Belastingstelsel aanpassen zodat meer uren werken meer loont
  • Goedkopere kinderopvang
  • Betere verlofregelingen bij zwangerschap
  • Stimuleren integrale kindcentra voor opvang en onderwijs

Het advies heeft nog geen vertaling gekregen in concrete beleidsmaatregelen. Wel zijn als gevolg van het algemene personeelstekort vrouwen de afgelopen drie jaar gemiddeld twee uur langer gaan werken. Het algemene personeelstekort hindert tegelijkertijd de mogelijkheid om meer uren te gaan werken. In de kinderopvang is het personeelstekort snel gegroeid, waardoor er minder opvangplekken zijn bij crèches, maar vooral bij de buitenschoolse opvang.

Omvang deeltijdwerk onderwijs

De deeltijdfactor voor leraren die in het po werken is gemiddeld 73 procent. Schoolleiders werken meer: 4,5 dagen van de 5. Het verschil tussen de verschillende schoolsoorten in het po is gering. Regelmatig zijn er in de media oproepen, dat als alle werknemers in het onderwijs een paar uur meer werken, het tekort is opgelost. Maar de verdeling over de jaren laat zien dat er wel minder leraren kleine parttime banen hebben en het aandeel fulltimers een klein beetje groeit, maar de gemiddelde deeltijdfactor schommelt al jaren rond diezelfde 73 procent.  Deeltijdwerken wordt gezien als een verworvenheid constateert het onderzoek De(el)tijd zal het leren. Het is voor veel mensen een bewuste persoonlijke keuze, waar maar moeilijk verandering in aan te brengen valt. In de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA 2022) noemt 94 procent expliciet de mogelijkheid om deeltijd te werken als positief kenmerk van de leraarsbaan in het po.

Bereidheid meer werken

Door het lerarentekort is de gemiddelde arbeidsduur van afgestudeerden snel omhooggegaan. In 2014 kreeg volgens de Loopbaanmonitor Onderwijs slechts 52 procent meteen een fulltimebaan (meer dan 0,8 fte). Inmiddels is dat voor de afgestudeerden van 2019 opgelopen tot 78 procent. Overigens zijn er wel verschillen tussen de opleidingen. De vaak wat jongere afgestudeerden van de voltijds-pabo gaan vaker fulltime werken dan de gemiddeld oudere deelnemers aan de deeltijdopleiding. Zodra de paboafgestudeerden ouder worden gaan zij ook minder werken, maar niet zo veel minder als de deeltijdopgeleiden.

In de Loopbaanmonitor wordt duidelijk dat een derde van de afgestudeerden bewust in deeltijd werkt, meestal vanwege zorgtaken. Onder de startende deeltijders is 22 procent zonder meer bereid om meer uren te maken, nog eens een kwart onder voorwaarden. Het hoogst scoren daarbij een salarisverbetering en een vast contract. Onbekend is wat de arbeidsomvang van zij-instromers is. Gezien hun leeftijd is de kans groot dat zij net als afgestudeerden van de deeltijdopleidingen niet fulltime gaan werken. Bij werkende deeltijders in het po in het algemeen is de bereidheid om meer te gaan werken geringer, zo blijkt uit het onderzoek Deeltijdwerk nader bekeken van het Arbeidsmarktplatform PO uit 2019. Als voorwaarde vooraf stelt deze groep dat hun kinderen ouder moeten zijn en minder zorg nodig hebben. In dat geval wil 5 procent sowieso meer werken, nog eens 10 procent onder voorwaarden. Net als bij de recent afgestudeerden is de allerbelangrijkste voorwaarde dat zij er financieel op vooruit moeten gaan.

Langer doorwerken

Leraren werken steeds langer door, soms ook na hun AOW. In eerdere jaren heeft deze ontwikkeling tekorten deels kunnen voorkomen. Door leraren te vragen om ook na hun AOW-leeftijd door te werken kunnen zij een bijdrage leveren aan het oplossen van het tekort.

Door versoberingen van de ouderenregelingen is onderwijspersoneel – alle functies en sectoren gemiddeld – de afgelopen decennia leraren al steeds langer gaan doorwerken. Dat heeft op sommige momenten de omvang van het tekort vertraagd. In 2002 stopten zij acht jaar vóór de AOW-leeftijd, inmiddels is dat de laatste jaren stabiel rond de anderhalf jaar voordat zij AOW krijgen. Langer doorwerken zou een bijdrage aan het oplossen van het lerarentekort kunnen leveren. Maar het is slechts een kleine, wel groeiende groep 65-plus leraren basisonderwijs die doorwerkt tot de AOW-leeftijd. Een zeer bescheiden en groeiende groep 67-plussers blijft ook na het bereiken van pensioen en AOW actief in het po als leraar.

Terug naar het onderwijs

Veel mensen met een lesbevoegdheid voor het primair onderwijs zijn in de loop der jaren buiten het onderwijs gaan werken, zelf gestopt met werken of werkloos geworden. Deze ‘stille reserve’ wordt gestimuleerd om weer terug te komen.

Beleid en omvang stille reserve

Het stimuleren van mensen met een pabo-diploma was begin deze eeuw een uiterst succesvol middel om het tekort in de jaren rond de eeuwwisseling op te vangen. Duizenden zogenoemde herintreders konden met een opfriscursus weer voor de klas. De omvang van de stille reserve werd door CentERdata in 2015 geschat op minimaal 31.000 mensen. Het onderzoek Stille reserve in de WW van Regioplan (2019) schatte dat in 2018 dit aantal uitkomt op iets meer dan 11.000 personen.

Door het tekort aan leraren primair onderwijs en de krappe arbeidsmarkt als geheel lijkt het erop dat de stille reserve behoorlijk is opgedroogd. Nieuwe totaalcijfers over de omvang zijn er niet. Wel is de werkloosheid sinds 2015 spectaculair gedaald, zo laat de Trendrapportage arbeidsmarkt leraren van OCW zien. Van ongeveer 7.800 werknemers po – niet alleen leraren – naar iets meer dan 2.600 in 2020. Ook landelijk zien we deze trend: nog nooit waren er zoveel mensen in Nederland aan het werk, en ook het aantal vacatures was nooit eerder zo hoog.

Om de stille reserve te stimuleren zijn er een aantal maatregelen:

  • Subsidie herintreders: voor mensen met een pabo-diploma die op dit moment niet in het primair onderwijs werken, kunnen schoolbesturen gebruik maken van de tegemoetkoming herintreders primair onderwijs. Met deze tegemoetkoming van 2.500 euro kan de school de herintreder een opfriscursus of extra begeleiding aanbieden.
  • Begeleiding Participatiefonds: het Participatiefonds helpt mensen re-integreren die hun baan in het primair onderwijs zijn kwijtgeraakt.