Verbeteren arbeidsomstandigheden

Aanpakken werkdruk

De werkdruk in het primair onderwijs (po) leidt tot veel burn-outklachten en een hoog ziekteverzuim. In 2018 sloten werkgevers, vakbonden en de overheid het Werkdrukakkoord. Hierdoor is er sinds 2021 structureel 450 miljoen euro beschikbaar voor extra personeel om de werkdruk aan te pakken.

Hoewel de tevredenheid over hun beroep hoog is, hebben leraren in het po een hoge werkdruk. Deze werkdruk vertaalt zich in een ziekteverzuim dat stukken hoger ligt dan het Nederlands gemiddelde. Onderwijs is daarnaast ook de sector met het allerhoogste percentage burn-outklachten, fors boven het gemiddelde van alle werknemers. De burn-outklachten zijn de laatste twee jaar wel afgenomen.

Het beleid: werkdrukakkoord 2018

Begin 2018 sluit het PO-Front met onderwijsminister Slob een werkdrukakkoord, waarin 450 miljoen beschikbaar is. Het wordt bestemd voor het aantrekken van extra personeel. Dat kunnen méér leraren zijn, méér onderwijsassistenten of een mix daarvan. Hoe, dat bepaalt het schoolteam zelf en moet goedgekeurd worden door de personeelsgeleding van de medezeggenschapsraad. In 2019 was voor een gemiddelde basisschool 35.000 euro beschikbaar, wat oploopt tot 65.000 euro structureel vanaf 2021. Het effect van het werkdrukakkoord is goed zichtbaar. Terwijl het aantal leerlingen tussen 2017 en 2021 krimpt met 2,5 procent groeit het aantal fulltime personeelsleden met 9,9 procent. De groei zit – zoals het werkdrukakkoord bedoelt – bij leraren (+2 procent) en ondersteunend personeel (oop) (+50 procent), vooral onderwijsassistenten. Dat grote verschil heeft te maken met eigen keuzes van teams, maar zeker ook met het snelgroeiende tekort, waardoor er met name in de Randstad nauwelijks leraren te vinden zijn. Hierdoor verandert de samenstelling van het personeelsbestand sterk. Het aantal oop’ers groeit tussen 2017 en 2021 met 10.000, en het aandeel neemt toe van 17 naar 24 procent van het totaal aan fte in het po.

Tevredenheid met werkomstandigheden hoog

Maar liefst 99 procent van de leraren po vindt dat zij interessant werk hebben. Op zich zijn Nederlanders gemiddeld genomen ook tevreden over hun baan, maar dat ligt met 92 procent toch iets lager. Leraren scoren ook hoog op andere arbeidsomstandigheden in de jaarlijkse Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) van TNO en CBS. De mogelijkheid om in deeltijd te werken vinden leraren goed, net als de mogelijkheden om zich te scholen. Minder tevreden zijn ze over de mogelijkheden om thuis te werken en hun werktijden te bepalen. Ook de arbeidsvoorwaarden zoals werkzekerheid, pensioenregeling en cao scoren goed. Het salaris scoort minder hoog, daar is bijna twee derde tevreden over.  

Ziekteverzuim bovengemiddeld hoog

Het ziekteverzuim van leraren po ligt ruim boven het Nederlands gemiddelde, maar is de laatste jaren wel stabiel. Het Nederlands gemiddelde stijgt juist wel. Volgens het jaarlijkse ziekteverzuimonderzoek van DUO is het opvallend dat er in tegenstelling tot het Nederlands gemiddelde nauwelijks een corona-effect is te zien. Binnen het basisonderwijs zijn er overigens grote verschillen. Op scholen met veel achterstandskinderen ligt het ziekteverzuim op 6,6 procent. Dit is vergelijkbaar met het speciaal onderwijs. Leraren geven in het NEA-onderzoek aan dat verkoudheid met 37 procent de meeste uitval veroorzaakt. Op de tweede plaats komen psychische klachten met 9 procent.

Hoge ervaren werkdruk

Veel leraren kampen door de hoge werkdruk met burn-out klachten. Zij geven in de NEA bovengemiddeld aan dat dat zij in korte tijd veel werk moeten verzetten, emotioneel erg betrokken zijn bij hun werk, terwijl zij weinig autonomie hebben om eigen tijd in te delen. Lesgeven is daarmee een ‘high strain job’. Het onderwijs is al jarenlang de sector met het hoogste percentage burn-outklachten. Opvallend is de daling in de afgelopen twee jaar, terwijl het landelijk gemiddelde stabiel bleef. Een verklaring daarvoor is nog niet onderzocht. Maar mogelijk heeft de daling te maken met het werkdrukakkoord waardoor scholen extra personeel konden aanstellen.

Starters

Het overgrote deel van de afgestudeerden van de pabo gaat in het onderwijs werken. Iets meer dan 10 procent zoekt een baan buiten het onderwijs, studeert door of is werkloos. Voor een goede start in het onderwijs is begeleiding op school essentieel.

Paboafgestudeerden vinden sneller baan

De arbeidsmarkt voor paboafgestudeerden is de afgelopen jaren snel veranderd. Jongeren krijgen veel sneller een baan en steeds vaker is dat een fulltime aanstelling, laat de Loopbaanmonitor Onderwijs zien. Van de cohorten die eerder afstudeerden, combineerde een grote groep hun deeltijdfunctie in het onderwijs tijdelijk nog met een bijbaan in de horeca of zakelijke dienstverlening. Later stroomde het grootste deel daarvan alsnog door naar het onderwijs.

Al met al ligt daarmee het beroepsrendement – het percentage leraren dat na de studie in het onderwijs gaat werken of heeft gewerkt – voor de pabo met bijna 90 procent het hoogst van alle lerarenopleidingen. Voor afgestudeerden van de lerarenopleidingen voortgezet onderwijs (vo) komt het beroepsrendement uit op tussen de 75 en 80 procent. Overigens hebben paboafgestudeerden die buiten het onderwijs zijn gaan werken gemiddeld een kleinere baan en verdienen ook nog eens minder per uur dan in het onderwijs. 

Van de paboafgestudeerden die in het onderwijs werkt, geeft de overgrote meerderheid les in het basisonderwijs. Een kleinere groep gaat lesgeven in het speciaal onderwijs of op een middelbare school.

Begeleiding starters essentieel

Begeleiding van pas afgestudeerden is van groot belang voor hun professionele ontwikkeling. In de cao hebben werkgevers en werknemers de afgelopen jaren ruimte gemaakt voor uitbreiding van de begeleiding. Daar zit vooruitgang in, inmiddels krijgen bijna alle starters begeleiding, één op de tien meldt in de Loopbaanmonitor Onderwijs dat dat nog steeds niet het geval is. De begeleiding wordt lang niet altijd actief aangeboden. 35 procent van de starters in het po moet daar zelf om vragen. Op de meeste van deze onderwerpen scoren opleidingsscholen beter dan niet-opleidingsscholen. Ook liggen de scores in het vo hoger dan in het po.

Tevredenheid omhoog, uitval laag

De tevredenheid van de starters in het po is in de loop van de jaren iets gestegen. Behalve als het gaat om het salaris. Het rapportcijfer daarvoor blijft steken op een 6,6. Dit is gemeten na de salarisverhogingen in 2018 en 2020, maar nog voor de laatste stap in 2022. Kijkend naar de begeleiding, zijn starters vooral positief over hun collega’s en directie. Slechts een kwart ervaart dat er een uitgewerkt programma voor starters op de school aanwezig is. In het vo is dat tweemaal zo hoog.

Slechts een kleine 2 procent van de starters in het po overweegt om de school vaarwel te zeggen. Nog eens 6 procent is op zoek naar een baan binnen óf buiten het onderwijs. De reden om buiten de onderwijssector te kijken is de hoge werkdruk, die wordt door 80 procent genoemd. Bijna de helft van de starters noemt ook het salaris als motivatie om te vertrekken.

Veranderen en vertrekken

Leraren die eenmaal in het primair onderwijs werken, zijn de sector erg trouw. Zij wisselen vooral van baan binnen hun school, bestuur of het po, zo laat de verkenning Wat drijft de mobiele leraar van het Arbeidsmarktplatform PO zien. De 20 procent die het po verlaat, stapt vooral over naar een andere onderwijssector. Naar schatting verlaat 8 procent het onderwijs helemaal, om te gaan werken in de gezondheidszorg, zakelijke of niet-commerciële dienstverlening.

De redenen om een nieuwe baan te zoeken zijn voor alle werkende leraren binnen het po enigszins vergelijkbaar met die van starters. Werkenden noemen de werkdruk, maar daarnaast vooral de onvrede over de inhoud van het werk, te weinig ontwikkelingsmogelijkheden en de manier van leidinggeven. Leraren die het onderwijs helemaal verlaten, doen dat vanwege de werktijden. Mannen noemen ook het salaris een belangrijke reden om de onderwijssector te verlaten.